Hoe polarisatie voorkomen en ongedaan maken?
Hoe meer een conflict gepolariseerd is, hoe moeilijker het wordt om nog met elkaar in gesprek te gaan en tot een respectvolle dialoog te komen. Tegenstellingen tussen groepen worden steeds sterker, waardoor deze groepen steeds meer tegenover elkaar komen te staan en elkaar als tegenstanders gaan zien. Doordat er geen gesprek of dialoog meer is tussen deze groepen, versterken ze, met en onder elkaar, vooral hun eigen standpunten. Verder ontstaat er een grote druk op het midden waarbij mensen die neutraal of gematigd zijn, vaak druk voelen om een kant te kiezen.
Basisuitgangspunt schrijver dezes is dat dialoog en gesprek de weg is met de hoogste kans op slagen om polarisatie te voorkomen en tot wederzijdse kennis en begrip te komen. Van daaruit – en ik zou willen stellen: enkel van daaruit – kan voortgang worden gemaakt in het zoeken van een oplossing voor het conflict. Bij dialoog gaat het er bovendien niet om je gelijk te halen. Dat is het doel van debat, discussie en polemiek [1]. Dialoog is gericht op begrip en, uiteindelijk, op een consensus waar beide partijen zich in vinden en met respect voor de ander.
Dialoog als weg, maar wat is dan het doel?
“In het Huis van Abraham leven joden, christenen en moslims in vrede samen.” Dit staat geschreven op het welkomstscherm van de website. Het Huis van Abraham is dan ook een programma of een opdracht. Het is iets wat gerealiseerd moet worden met de hulp van de gesprekspartners.
Het Huis is ook een concept of een conceptuele ruimte. Deze ruimte is gecreëerd om deze dialoog te voeren en kennis op te doen over elkaar. Het is een plaats om problemen te bespreken indien nodig. Uiteindelijk willen we komen tot het realiseren van dat programma of die opdracht: een wereld waar joden, christenen en moslims samen leven in respect voor de ander en zich zelf ook gerespecteerd voelen in hun eigenheid.
Het zou ideaal zijn dat het Huis van Abraham een gezamenlijk project is, gevoed en ondersteund vanuit de verschillende tradities. Het Huis van Abraham streeft geen nieuwe vorm van religie na. Het is geen ‘Abrahamitische eenheidsreligie’ of iets dergelijks. Het is de overtuiging dat God een Plan heeft met de wereld. In dit Plan hebben joden, christenen en moslims een eigen rol, inbreng of betekenis.
In dialoog moet elke traditie komen tot een inclusieve visie
Het Huis van Abraham is niet opgezet in een vacuüm qua tijd en ruimte: het vindt plaats op een bepaald moment in een zich ontvouwend historisch proces, met een lange voorgeschiedenis. De drie wereldgodsdiensten hebben dan wel een eigen historische ontwikkeling, deels ook in gescheiden geografische ruimtes, maar door de globalisering komen ze steeds dichter en dichter bij elkaar en worden ze met elkaar geconfronteerd hetgeen in het verleden ook niet altijd vreedzaam of zonder conflicten verliep.
Willen deze religies in de toekomst met elkaar in vrede leven, en een bijdrage leveren aan vrede tussen gemeenschappen en volkeren, zonder dat de een de ander uitsluit of overheerst, en met respect voor ieders eigenheid, dan zullen ze aan de slag moeten, in gesprek en dialoog met de ander, om die ander een eerlijke en correcte plaats te geven in hun eigen heilsplan (het eigen narratief) voor deze wereld in een gezamenlijke toekomst.
Een dergelijke toekomstvisie noemen we een inclusieve visie. Zowel in het christendom als in de islam en het jodendom, moet er zo een inclusieve visie of een theologie komen van de andere, waarbij die andere niet wordt uitgesloten, maar ‘ingesloten’ of betrokken, en waar de andere zich in herkent. Een dergelijke visie kan enkel tot stand komen in gesprek en dialoog met de ander. Vandaar dat het Huis van Abraham zich voorstelt als de ruimte voor deze oefening.
Vraag is natuurlijk of hier voldoende mensen voor gevonden kunnen worden die hier aan willen werken en hiervoor hun nek willen uitsteken, want de groep die geen vrede nastreeft, maar suprematie over de ander, is groot en vooral actief en luidruchtig.
In een later artikel zullen we hier verder op ingaan, maar laten we ons nu toeleggen op onze zoektocht naar de juiste basishouding in dialoog en gesprek. We nemen een actueel maatschappelijk debat waar ieder van gehoord heeft en deels ook bij betrokken is, als voorbeeld.
Hoe het niet moet, maar ook hoe het anders kan: het hoofddoekendebat
In 2007 schreef ik een artikel met als titel: “De islamitische vrouw moet met hoogdringendheid door ons bevrijd worden?“, waarin ik op zoek ging naar de juiste basishouding om in dialoog tot een oplossing te komen van hetgeen zich toen en nu nog als een probleem stelt. Het was mijn bijdrage in de toenmalige discussie. Deze discussie is nu echter nog steeds gaande. En ze zal nog een hele tijd blijven voortduren.
Op de school waar ik vorig jaar nog les gaf, een katholieke school met een divers publiek, had men de regel ingevoerd dat zowel jongens als meisjes geen hoofddeksel mochten dragen op de schoolterreinen. Deze regel was ingevoerd nadat moslimjongeren hadden geprobeerd om de directie te overhalen een hoofddoek toe te laten op school. De directie wilde dit niet en vond er dan niets beter op dan voor iedereen hoofddeksels te verbieden. Moslimjongeren voelen echter aan dat dit tegen hun gericht is en geen faire opstelling is. In de praktijk komt het er trouwens op neer dat er niet wordt ingegrepen als een jongen een hoodie of een muts draagt, zeker niet als het koud is, terwijl meisjes al worden aangesproken als ze van de bus stappen en het terrein van de school opkomen.
Een school kan best een regel invoeren die hoofddoeken als levensbeschouwelijke expressie verbiedt, maar dan moeten ze daar open en eerlijk over zijn en wordt dit open met de leerlingen en de ouders besproken. Door echter een domme regel in stand te houden, blijven onderhuidse gevoelens spelen en moet men zich niet verwonderen dat jongeren zich geviseerd en niet begrepen voelen.
Maar we komen de hoofddoek ook tegen in het publieke debat.
Het ‘debat’ vandaag in de Nederlandse Tweede Kamer, 4 juli ll., en reactie Sam van Rooy (Vlaams Belang)
Op 4 juli laatstleden vond in Nederland bij de opstart van het nieuwe kabinet een debat plaats in de Tweede Kamer in het kader van de eerste regeringsverklaring. Toen er daarbij een discussie ontstond over hoofddoeken, kwam Kamerlid Esmah Lahlah (GroenLinks) haar keuze en visie toelichten. Het spreekt vanzelf dat, nu de Nederlandse PVV van Geert Wilders mee aan het stuur komt, deze discussies de komende tijd meer aan bod zullen komen. Laten we hopen dat het op termijn de politieke strijdstellingen weet te overstijgen en bij zal dragen aan een beter begrip van elkaar. (2)
Als het in Nederland regent, druppelt het in Vlaanderen. Zo waren er ook hier heel wat reacties te vinden op het betoog van mevrouw Lahlah op X (Twitter), o.m. van Dary Safai an Assita Kanko van NVA en van Sam van Rooy van Vlaams Belang. Het betoog van Sam van Rooy was het uitgebreidst. Ik wil zijn belangrijkste argument toelichten om dan de afweging te kunnen maken in hoeverre dit bijdraagt aan de dialoog of deze eerder barricadeert (en zo bijdraagt aan verdere polarisatie).
Het mag misschien vreemd lijken dat ik hier ‘in dialoog’ ga met iemand van het Vlaams Belang. Hierdoor heeft u mogelijks al een oordeel over mij geveld. Maar ook hier lijkt het mij zinvoller te kiezen voor dialoog en gesprek in plaats van a priori iemand of een groep uit te sluiten. Door hen continu te weren, worden bepaalde gesprekken en discussies gewoon niet gevoerd in België. Het is maar de vraag of dit wel beter is. Polarisatie moet niet enkel voorkomen worden, het moet ook zo goed als kan, ongedaan worden gemaakt. Als mensen elkaar leren begrijpen, weten ze wat er bij de andere leeft. Dan kan je er rekening mee houden of er mee omgaan. Dit is beter dan er gewoon niet mee te praten. Als een groep niet gehoord wordt, is er geen matiging meer. Dit leidt tot verdere polarisatie en uiteindelijk tot conflicten. Ik heb trouwens Sam van Rooy nog geen verdachte uitspraken horen doen zoals Dries van Langenhove of Herman Brusselmans.
Dus, even terug naar het argument van Sam van Rooy. Zijn punt is dat de vrouw die er bewust voor kiest een hoofddoek te dragen, impliciet daarmee een middelvinger opsteekt naar alle vrouwen die elders in de wereld strijden voor de vrijheid om geen hoofddoek te dragen en hiervoor worden vervolgd.
Ik kan dit gevoel en de onderliggende angst begrijpen. Mensen kunnen ook hier gaan ijveren om het verplicht te gaan maken. Dat is geen onterechte angst als je extremisten aan het woord hoort. De vraag die hier gesteld wordt, is dus: kan je als vrouw solidair zijn met de strijd van de vrouwen in landen zoals Iran, en tegelijk er voor kiezen hier een hoofddoek te dragen?
Mijn eerste gedachte daarbij is dat, als je strijdt voor het recht van iedere vrouw om al dan niet te kiezen voor het dragen van een hoofddoek, dit toch betekent dat zij in vrijheid voor beide opties moet kunnen kiezen. Als dan in een ander land die vrijheid niet wordt gegeven, moet dan daarom hier in België de vrijheid ook worden ingeperkt? Is er geen mogelijkheid te kiezen om een hoofddoek te dragen en tegelijk toch te strijden voor de vrijheid en het recht van de vrouw in die andere landen?
Als Van Rooy de vraag zo zou stellen, – is het voor u mogelijk om er voor te kiezen een hoofddoek te dragen én tegelijk te strijden voor de vrijheid en het recht van elke vrouw om hier al dan niet voor te kiezen? – dàn zou hij uitnodigen tot dialoog. Door echter te poneren (als een ‘feit’) dat je een middelvinger opsteekt naar vrouwen die strijden om emancipatie of vrijheid, is dat een aanval op de ander. Het doel is die ander onderuit te halen.
Een uitkomst van een zinvolle dialoog als gevolg van deze vraagstelling zou er zo bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat moslima’s die bewust kiezen voor een hoofddoek, tegelijk kenbaar zouden maken dat hun daad niet als een bedreiging moet worden gezien door bijvoorbeeld een symbolische speld of een teken te dragen. Of iets met het opschrift ‘In religie geen dwang’.
Maar de redenering van Sam van Rooy lijkt me bovendien ook sowieso niet op te gaan. Want, wat krijg je als je het onderwerp aanpast? Zo is het bijvoorbeeld ook verboden in Iran voor een vrouw of een man om uit de kast te komen. Maar hier in het Westen kan je als man of vrouw, als je gay bent, er voor kiezen om al dan niet uit de kast te komen. In Iran staan daar flinke straffen op en er zullen zeker mannen en vrouwen zijn die die strijd voeren. Maar kan je dan zeggen dat een moslim of moslima die er hier voor kiest om niet uit de kast te komen, wat toch ook een recht is, een middelvinger opsteekt naar die mannen en vrouwen in de moslimwereld die hiervoor een strijd voeren?
Wat Sam van Rooy zegt, – en misschien is dat niet zijn intentie -, is dat elke moslima die een hoofddoek draagt, fout is omdat ze niet solidair is met de strijd van de vrouwen in Iran. Dus moeten alle moslima’s er van afzien een hoofddoek te dragen. Dat lijkt mij op een aanval. Is dat zijn bedoeling? Waar is er hier nog een opening voor gesprek of dialoog?
Dialoog vraagt om een andere basishouding: géén frontale aanval.
In het artikel uit 2007 dat ik na dit artikel op de website publiceer, betoog ik dan ook dat het m.i. verkeerd is te kiezen voor de frontale aanval op de islam, zoals in het hierboven beschreven voorval. Een ander bekend voorbeeld uit het verleden was de oproep van Ayaan Hirsi Ali om de ‘Koran van zijn voetstuk’ te halen. Ayaan heeft dan wel veel invloed gehad, maar wat heeft ze ermee bereikt?
In het bovenvermelde artikel nam ik als uitgangspunt voor de hoofddoekendiscussie de stelling van de Belgische professor Etienne Vermeersch dat er minstens ‘zeven discriminaties’ zijn die ‘met een volstrekte duidelijkheid in de koran’ staan, waarvan het ‘even duidelijk is dat ze radicaal in strijd zijn met de Rechten van de mens’.
Als ik als leerkracht dit artikel in het kader van een workshop of taak gebruikte in het laatste jaar middelbaar, waren er moslimleerlingen die niet meer verder wilden werken zodra ze Vermeersch’ stelling hadden gelezen. Ze voelden zich door zijn uitspraken geschoffeerd.
Zijn verwijzingen naar de Koran mogen dan nog correct zijn en liggen in de lijn met Paulus’ stelling dat ‘de waarheid alle dingen ontdekt’. Je kan ook aanvoeren dat het eveneens getuigt van een gebrek aan empathie en respect door de zaken zo koudweg te serveren. Waar is Paulus’ mantel der liefde?
Maar het zou ook kunnen zijn zijn stelling geen juiste voorstelling van zaken is. In dat geval zou je de ander inderdaad onrecht aandoen door een verkeerd beeld te schetsen en hem zo op onterechte gronden te ‘veroordelen’.
Ik heb begrip voor deze jongeren die hier emotioneel door werden geraakt. Maar ook zij moeten hun rug rechten, omdat ze in deze wereld van woord en wederwoord hun mannetje moeten leren staan (vergeef me de mannelijke uitdrukking). Al voel je deze verwijzingen naar teksten in de Koran aan als een aanval op je geloof. Het zijn uiteindelijk reële verwijzingen die mogelijks anders moeten worden geduid of ander begrepen. Maar dat kan je enkel uitleggen als je blijft zitten en niet wegloopt als je je geschoffeerd voelt, toch?
Op het spoor van een universele grondregel voor dialoog en gesprek: de gulden regel.
In de dialoog moet het trouwens beter kunnen. Daarvoor is een welbepaalde grond- of basishouding nodig die we aan jongeren en gesprekspartners in de dialoog moeten aanleren. Deze basishouding wordt trouwens niet enkel in het christendom aangeboden. Omzeggens in alle zowel westerse als oosterse levensbeschouwingen is deze op de een of andere wijze terug te vinden. Het lijkt er op dat we een universele grondregel op het spoor zijn die we in de ontmoeting en confrontatie van culturen en levensbeschouwingen kunnen hanteren. Deze universele grondregel wordt ook aangeduid als de gulden regel.
In voormeld artikel uit 2007 wordt deze grondregel uitvoerig besproken. Daarom denk ik dat dit artikel nog steeds actueel is en een bijdrage kan leveren aan de dialoog. Ik plaats het dan ook hier op de website.
Grondhouding van theoretische naastenliefde.
In dit artikel wordt de hierboven vernoemde basishouding belicht vanuit het christelijke denken. Het is de traditie waar ik zelf in ben opgegroeid en die nog steeds de mijne is, weliswaar verrijkt en verdiept door een leven van studie en ervaring.
In het christendom is de gulden regel een variant van het gebod van de naastenliefde, de kern van de christelijke ethiek. De Duitse filosoof Rosenzweig bedacht voor de toepassing van het gebod van de naastenliefde in de dialoog en het gesprek, het concept van de theoretische naastenliefde: zoals ik niet op een eenzijdige of onterechte wijze beoordeeld wil worden, wil ik dat ook een ander niet aandoen.
Een wereldwijde beweging.
In een later artikel ontdekken we waar we in andere tradities deze basishouding terugvinden en hoe deze daar wordt verwoord. Zo vinden we gelijkwaardige varianten in het jodendom, de islam en in het oosterse denken, zowel in India als in China. Daaruit zal blijken dat deze basisregel echt wel universeel is en daarom een reële kans op slagen biedt om wereldwijd aanvaard te worden in de dialoog en samenwerking.
Omdat wereldwijd al heel wat organisaties zich rond deze universele grondregel hebben verzameld, lijkt het ons ook gepast hier de nodige aandacht aan te geven. Zo houden we de hoop levend op een echte toekomstige vrede, wereldwijd.
Besluit
De grondhouding van theoretische naastenliefde kunnen we afsluitend goed toelichten met de wijze woorden van Paulus [3]: de waarheid ontdekt alle dingen, de liefde bedekt alle dingen.
Zo schreven we in het hierbij voorgestelde artikel:
“Het kille waarheidszoeken kan mensen in een oordeel tegen de muur vastzetten, maar dit oordeel moet worden aangevuld met een warm hart dat niemand uitsluit en de blik gericht houdt op een open toekomst.
Als we met de Franse personalistische filosoof Levinas de grootste waarde toekennen aan het gelaat van de ander, moeten we de ander ook niet ‘zijn gezicht laten verliezen’ in onze ijver de ultieme waarheid aan het licht te brengen en een definitief oordeel te vellen en moeten we steeds de mogelijkheid openhouden voor toekomstige veranderingen en voor ommekeer.”
Veel plezier bij het lezen van het artikel.
[1] Het verschil tussen dialoog, discussie, debat en polemiek zit vooral in de manier waarop de communicatie plaatsvindt en het doel ervan:
- Dialoog: Dit is een open en respectvolle uitwisseling van ideeën en gezichtspunten. Het doel is om elkaar te begrijpen en samen tot nieuwe inzichten te komen. Er wordt echt geluisterd naar elkaar en men probeert elkaars standpunten aan te vullen.
- Discussie: Hierin wisselen de deelnemers argumenten uit met als doel elkaar te overtuigen. Hoewel er naar elkaar geluisterd wordt, blijft men vaak vasthouden aan de eigen mening. Deelnemers zien elkaar als gelijkwaardig en proberen door argumenten uit te wisselen tot een beter begrip van het onderwerp te komen.
- Debat: Dit is een meer formele vorm van discussie waarbij het doel is om het publiek te overtuigen van je standpunt. Deelnemers proberen elkaar te overtroeven met argumenten en er is vaak sprake van winnaars en verliezers. Het gaat minder om het begrijpen van de ander en meer om het winnen van het debat.
- Polemiek: Dit is een scherpe en vaak vijandige uitwisseling van meningen, meestal via geschreven teksten zoals artikelen of boeken. Het doel is om de ander te bekritiseren en te weerleggen, vaak op een provocerende manier.
[2] Voor meer achtergrondsinfo, zie Discussie over hoofddoek en vrijheid laait weer op: ‘Grondrechten weggezet’ (nos.nl)).
[3] 1 Kor. 13, 7 in de Statenvertaling : “Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.”