Elk jaar vieren moslims wereldwijd Eid al-Adha, het Offerfeest. Dit jaar was dat op 27 mei, maar in landen als Marokko en Turkije, en ook binnen veel moslimfamilies in Europa, loopt de feestperiode vaak nog enkele dagen door.
Één van de grootste en meest beleefde feesten in de islamitische kalender. Miljoenen mensen, overal ter wereld, herdenken het verhaal van Ibrahim — de man die bereid was zijn zoon te offeren aan God.
Het is een verhaal dat ook in de joodse en christelijke traditie centraal staat. In de Bijbel heet het de Akeda, de binding van Isaak. In de Koran is het de beproeving van Ibrahim. De details verschillen — over welke zoon het gaat, over hoe de zoon zelf reageert — maar de kern is in beide tradities dezelfde.
En die kern heeft twee bewegingen.
De eerste beweging is bekend en wordt breed herdacht: de absolute bereidheid van Ibrahim, zijn gehoorzaamheid, zijn overgave aan God. Dat is het hart van de viering. Dat is wat elk jaar opnieuw wordt herdacht, wereldwijd, met gebed en offer en samenzijn.
Maar er is een tweede beweging. En die staat er even duidelijk in.
God onderbreekt. God grijpt in. Het offer gaat niet door. Een ram wordt in de plaats gesteld. Of je het nu in Genesis leest of in Soera 37 — God laat het offer van de zoon niet toe. God wil de levende zoon, niet de dode.
Dat is geen kleine toevoeging aan het verhaal. Dat is de wending waarop het hele verhaal draait. Zonder die tweede beweging is er geen verhaal — alleen een tragedie.
En toch. Als ik kijk naar hoe dit verhaal theologisch wordt ingezet, naar hoe het wordt uitgelegd, naar welke betekenis er in het publieke en religieuze discours aan wordt gegeven — dan is het vooral die eerste beweging die spreekt. De bereidheid. De gehoorzaamheid. De overgave.
De tweede beweging — God wil de levende zoon — blijft opvallend stil.
Dat roept bij mij een vraag op. Geen aanklacht, geen oordeel. Een vraag vanuit oprechte verwondering.
Want als een religieuze logica het bloed van mensen — van vrouwen, van kinderen, van burgers — inzet als instrument van strijd of mobilisatie, dan staat precies het verhaal dat vandaag wordt gevierd daar haaks op. Niet als externe kritiek. Niet als westers argument. Maar als het verhaal zelf, zoals het er staat.
Ibrahim mocht zijn zoon niet offeren. God onderbrak.
Hoe lezen wij — moslims, joden, christenen — dat tweede deel van het verhaal? En wat zegt het ons vandaag, op dit feest, over wat God wel en niet wil?
Het is niet zo dat de islamitische wereld zwijgt over geweld in naam van de godsdienst. Zelfmoordaanslagen en jihadistisch terrorisme worden door tal van islamitische geleerden, rechtscholen en instellingen veroordeeld — en dat ook met kracht. Maar de argumenten die daarvoor worden aangereikt, komen doorgaans uit de klassieke oorlogsethiek, uit het verbod op zelfmoord in de islam, uit de regels die non-combattanten beschermen.
Wat opvalt — en dit is mijn vraag, niet mijn oordeel — is dat het Ibrahim-verhaal in dat discours nauwelijks een rol speelt. Terwijl het toch het meest directe, het meest centrale, het meest emotioneel geladen argument zou zijn. Op het feest dat vandaag wereldwijd wordt gevierd, onderbreekt God zelf het offer. God wil de levende zoon, niet de dode.
Dat is geen extern argument. Geen westers argument. Het staat in het hart van de eigen traditie, gevierd op het grootste feest van het jaar.
Waarom wordt die tweede beweging van het verhaal zo zelden theologisch ingezet? Dat is de vraag die mij bezighoudt.
Meer lezen? Reageren? Een antwoord formuleren? Een vraag stellen? Klik hier naar het dialoog- en leerplatform Wus’a.